Wiegedood

Wiegendood is het onverwacht en ogenschijnlijk niet te verklaren overlijden van een baby. Als het gebeurt, is het vrijwel altijd in het eerste levensjaar, maar het komt ook een enkele keer in het tweede levensjaar voor. Alle westerse landen kennen het verschijnsel, maar niet in dezelfde mate.

Uit vele studies is de afgelopen decennia duidelijk geworden dat de oorzaak gezocht moet worden in bij de geboorte aanwezige eigenschappen, maar dat verzorgingsfactoren een doorslaggevende invloed hebben op de kans dat die een baby fataal worden. Dank zij de kwaliteit van de zuigelingenzorg, de voortdurende aandacht en het onderkennen van risico's, komt wiegendood al geruime tijd in Nederland minder voor dan elders.

Als een baby onder het beeld van wiegendood overlijdt, wordt afhankelijk van de toestemming van de ouders een zo uitvoerig mogelijk onderzoek verricht. Dat postmortale onderzoek verloopt volgens een medisch protocol en is afgestemd op internationaal overeengekomen afspraken. Pas wanneer ook een volledig onderzoek geen verklaring van de dood geeft, mag men spreken van SIDS, sudden infant death syndrome.

Soms wordt bij uitgebreid onderzoek alsnog een verklaring gevonden. Dat kan bij voorbeeld een hartafwijking zijn, of een snel verlopen infectie. Van deze baby's was evenmin verwacht dat zij zouden overlijden. Al is er dan geen sprake meer van wiegendood, de aandacht van onderzoekers is ook op deze baby's gericht, omdat ook zij de weg kunnen wijzen naar voorzorgsmaatregelen.

De afgelopen decennia hebben vele studies bijgedragen tot het vaststellen van risicofactoren voor wiegendood. Niet alle factoren zijn te beïnvloeden. Dat geldt bij voorbeeld voor vroeggeboorte of een te laag geboortegewicht. Wel beïnvloedbaar zijn factoren als buikligging, roken, drugs- en medicijngebruik, warmtestuwing door te veel kleding of dekbedjes, en slaapverwekkende hoestmiddelen.

Toenemende kennis en groeiende bekendheid met aanbevelingen tot preventie hebben in Nederland geleid tot een daling van wiegedood van bijna 200 gevallen in 1986 tot minder dan 20 per jaar thans. Artsen/onderzoekers houden een verdere daling voor mogelijk. Maar daarvoor is meer onderzoek nodig en dient de preventievoorlichting verder te worden verbeterd. De nauw met de oudervereniging verbonden Stichting Wiegedood spant zich daarvoor in. Zij wil tevens aanspreekpunt zijn voor vragen van ouders en beroepsmatig betrokkenen. Zie voor meer informatie de pagina die is gewijd aan de stichting.

 

ALTE

Niet heel regelmatig, maar wel vaker dan wiegendood doet zich het verschijnsel voor dat een baby bleek, blauw, slap en niet merkbaar ademend wordt aangetroffen. Door oppakken en prikkelen trekt dat bij. De vraag is vervolgens wat er aan de hand is (geweest). Die vraag is lastig te beantwoorden, omdat artsen een weer normaal ogende baby onder ogen krijgen. Vroeger dacht men aan bijna-wiegendood. Tegenwoordig spreekt men van een ALTE (= apparent life threatening event, een ogenschijnlijk levensbedreigende gebeurtenis), omdat er geen sterk verband met wiegendood is gebleken. Meestal valt er bij onderzoek niets te ontdekken en blijft het bij een eenmalig incident. In andere gevallen kan een eenmalige oorzaak worden achterhaald en bij een minderheid wordt een aandoening gevonden die behandeling behoeft.

Een werkgroep van de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde, met bestuursleden van Stichting Wiegedood, heeft een landelijke richtlijn ontwikkeld die beoogt dat een baby na een ALTE overal op dezelfde wijze wordt onderzocht.